Kosten relateren aan resultaten
Is een collectieve pr-campagne dan dé oplossing? Nee, natuurlijk niet. Voor individuele goede doelenorganisaties ligt in een validatiestelsel zonder een norm voor kosten fondsenwerving juist een nóg grotere opdracht om aan de achterban uit te leggen waartoe zij op aarde zijn. Welke resultaten zij willen boeken. Welke maatschappelijke winst ze nastreven.
Hoe willen ze met steun van donateurs deze wereld concreet beter maken? Giften zien als maatschappelijke investering en het goede doel als rendement betekent dat je ‘kosten’ altijd relateert aan de verwachte opbrengsten. Dat die opbrengsten lang niet altijd zeker zijn, is onderdeel van het eerlijke verhaal. Dat donateurs geen aandeelhouders zijn van een bedrijf, maar van een ideële organisatie, ook. Goede doelen die tijdelijk veel fondsenwervingskosten moeten maken of die specialisten in dienst nemen met hoge(re) salarissen, kunnen dat heel goed uitleggen aan hun achterban. En als ze dat niet kunnen (of willen), dan beslissen de donateurs uiteindelijk met hun portemonnee. Juist door de kosten niet te isoleren van het grotere doel als ‘noodzakelijk kwaad’, maar als integraal onderdeel van de oplossing, kan de strijkstok ten grave gedragen worden.

De clichés over impactmeting
De focus op maatschappelijke resultaten in plaats van op kosten, roept natuurlijk onmiddellijk de vraag op: zijn daar dan normen voor? Hoe meten we dat dan? Leidt impact-denken niet ook tot perverse prikkels, zoals sturen op succes en ‘donor darlings’? Het antwoord is: nee, er zijn nog geen algemeen aanvaarde normen of methoden die goede doelenorganisaties als een IKEA-bouwpakket kunnen inzetten. Die markt is nog volop in ontwikkeling. Er zijn wel hoopvolle aanzetten. De Erasmus Universiteit heeft de Performance Prediction Scan bedacht: een poging om de kans te berekenen dat een goed doel aan zijn doelstelling kan beantwoorden.
En nee: niet alles kun je meten. Niet alles kun je monetariseren. Wie had dat trouwens gezegd? Laten we eens ophouden elkaar te bestoken met alle doorzichtige clichés over impactmeting en vooral doen wat nu mogelijk is: meet wat zinvol is. Meet wat je kunt meten. Niet om het meten zelf, maar om te zien of je concrete resultaten boekt. Daartoe zijn goede doelen op aarde. Elke organisatie die met geld van anderen intervenieert in levens van anderen, heeft die dure plicht.
Het zou daarom goed zijn dat binnen het nieuwe Validatiestelsel duidelijker en concreter plaats wordt ingeruimd voor (de ontwikkeling van) een systeem waarbij gelijksoortige goede doelen kunnen worden vergeleken op hun prestaties.

Epiloog
Die 25%-norm is een plafond van de angst geworden. Angst voor het oordeel van de donateur. Angst voor totale anarchie en cowboys die de markt komen verzieken als er geen norm meer is. Zonder kostennorm gedraagt iedereen zich als een egoïstische strijkstokker. Dat beeld, dat zegt heel veel. Vooral over ons zelf.
Hebben wij niet het vertrouwen dat bestuurders van fondsenwervende organisaties, ook zonder een plafond niet goed nadenken over kosten in relatie tot maatschappelijke opbrengsten?
De beslissing voor wel/niet afschaffing (of, zoals te verwachten in een typische polderoplossing: een gedeeltelijke afschaffing) van de kostennorm gaat uiteindelijk niet over procenten of centen. Het gaat over de mogelijkheid om in een nieuw Validatiestelsel een mentale reset te maken. In de manier van denken, maar ook van verantwoorden. Een transformatie van focus op maatschappelijke kosten naar een focus op maatschappelijke opbrengsten. Het gaat over een terugkeer naar de basis van elke goede doelenorganisatie, groot of klein, IF-lid, GDN-lid of koepelloos: een steengoed verhaal (hart) gericht op concrete resultaten (hoofd) om deze wereld een beetje (boel) beter te maken.
De maakbaarheid van die betere wereld verdient echter wel een stevige reality-check. Breek fier door dat 25%-plafond. Dat symbool van de collectieve angst. Eerlijkheid duurt het langst.

Edwin Venema & Charles Groenhuijsen
5/5
gerelateerde items