Administratief sjoelen
De elastieken kostennorm geeft evident perverse prikkels om het adagium ‘alles voor het goede doel’ maximaal op te rekken. Als het immers mogelijk is om je percentage ‘doelstelling’ te pimpen uit marketing- en scoringsdrift (en die is in principe meestal heel nobel: meer geld om meer kinderen te redden!), begint het grote geschuif vanuit de andere twee posten ‘fondsenwerving’ en ‘beheer & administratie’. En goed te weten dat ‘beheer & administratie’ weer iets anders is dan het eveneens veel gebezigde begrip ‘overhead’. Beheer & administratie: eigenlijk zijn het alle kosten die overblijven nadat uitgaven aan personeel, huisvesting en communicatie en publiciteit eerst zijn toegedeeld aan ófwel de post doelstelling ófwel de post fondsenwerving. Een mooi voorbeeld van dat ‘administratieve sjoelen’ in de drie kostenvakken, geeft de controller van Artsen zonder Grenzen – dat op eigen initiatief haar overheadkosten overigens nog eens apart verantwoordt – in het eerder genoemde FD-artikel: ‘Zo vallen de kosten van de medisch directeur onder ‘doelstelling’, maar de kosten van zijn secretaresse onder ‘beheer en administratie’. Goede doelen als de Hartstichting en het KWF geven veel geld uit aan wetenschappelijk onderzoek. Dat valt onder de doelstelling, maar daar zitten dan wel weer overheadkosten bij.’
Als een donateur daar nog chocola van kan maken…

Schijnzekerheid
Goed. De norm is aan de buitenkant graniethard, maar intern van elastiek. Wat voor zekerheid geef je je donateurs dan? Schijnzekerheid!

En daarbij: waarom wel een norm voor kosten fondsenwerving en niet voor de andere, hiervoor genoemde kostensoorten? En waarom 25% (en niet 13,78%): omdat kort na de Tweede Wereldoorlog een aantal burgemeesters dit tamelijk willekeurige percentage goed vond? Dat klinkt als: op alle wegen en voor alle soorten voertuigen één maximum snelheid van 70 km aanhouden. Wat betekent dat in de praktijk van fondsenwervende organisaties? De norm lijkt vooral de groei van kleinere of jongere organisaties te frustreren. Alle start ups hebben immers in hun beginfase een investeringsaanloop nodig en structurele groei vergt een langere periode dan drie jaar gemiddeld 25%. Maar ook reeds ‘gevestigde’ goede doelen weten zich bij een strategische heroriëntatie of een uitzonderlijk project met handen en voeten gebonden. Het is een willekeurige en rigide norm die maatschappelijk ondernemerschap in beide voeten schiet. Het is een Unox-worst voor een branche die geboren is uit en alleen bloeit door maatwerk. Wil je groeien, dan is het zeer verleidelijk en bijna onvermijdelijk dat het elastiek van de 25%-norm wordt getest op trekkracht.

Voordeel voor grotere organisaties
Het is niet toevallig dat de koepel van de kleine(re) fondsenwervende organisaties, IF, al langere tijd een krachtig ‘njet’ laat horen tegen het 25%-plafond. IF betoogt dat de kostennorm vooral in het voordeel werkt van grotere, kapitaalkrachtiger goede doelen. Een concreet voorbeeld hiervan noemt de ervaren fondsenwerver Walter van Kaam in zijn blog over dit onderwerp: de nalatenschappen. Dit zijn opbrengsten uit eigen fondsenwerving waar relatief weinig kosten tegenover staan: ‘waardoor bij verkrijging van een nalatenschap plotseling het percentage daalt en de kosten kunnen, mogen en bijna altijd zullen, stijgen. Het bevoordeelt de bestaande, grote organisaties sterk ten opzichte van kleinere goede doelen.’

Van Kaam – die overigens uiteindelijk voorstander is van behoud van de 25%-norm – voegt daar nog een argument aan toe: ‘Organisaties met een grote achterban maken relatief per relatie minder kosten, omdat de kosten van beheer en behoud aanzienlijk lager zijn dan wervingskosten voor een nieuwe relatie. Het percentage fungeert daardoor dus feitelijk als toetredingsdrempels.’

Marktafscherming
Het hoge woord is eruit. De 25%-norm werkt in de praktijk als een vorm van marktprotectionisme of ‘marktafscherming’? Dat lijkt te kort door de bocht, want niemand wordt immers verplicht om keurmerkhouder van het CBF te worden. Ook bij de tennisvereniging wordt geballoteerd. Een toetredingsdrempel voor een besloten club is helemaal niet verboden.

Maar dat beeld verandert drastisch als straks een kostenpercentage als verplicht onderdeel van een nieuwe Erkenningsregeling overeind zou blijven en deze regeling door de overheid via een Algemeen Verbindend Verklaring een nationale, brede werking moet krijgen. Dan is het nog maar helemaal de vraag of zo’n norm wel een wettelijke basis heeft. Navraag van Filanthropium Journaal bij een aantal juristen leert dat zo’n verplichting waarschijnlijk binnen de kortste keren van tafel wordt geveegd omdat deze als ongeoorloofde toetredingsdrempel zal worden geïnterpreteerd. Eén proefprocesje en het is gedaan met de brede werking van een kostennorm. Het lijkt alleen al om deze reden onwaarschijnlijk dat een plafond voor fondsenwervingskosten als integraal, verplichtend onderdeel in het nieuwe Validatiestelsel wordt opgenomen. Maar zelfs als vrijwillig aanvaarde norm, zouden goede doelen geen ‘kostenplafond’ moeten willen gebruiken. Waarom niet?
 
gerelateerde items