25% ‘foute’ kosten
Dat afschaffing ‘niet uit te leggen is’, valt te bezien. Daarop komen wij straks terug. Maar dat de huidige 25%-norm wél uit te leggen zou zijn, is een grote misvatting. Bijna iedere donateur (en menige collega-journalist) verkeert in de waan dat na aftrek van die 25% kosten (‘fondsenwerving, whatever‘) er toch nog ten minste 75% van de geefeuro overblijft voor het goede doel. Ondanks halfhartige pogingen van het CBF om dit misverstand te ontzenuwen, is het gevende deel der natie opgevoed met de idee dat je dus maximaal een kwartje ‘foute kosten’ hebt, en er dan in elk geval nog drie kwartjes van je geefeuro naar ‘het goede doel’ gaan. Vertaald in geversjargon: er is gelukkig een grens gesteld aan ‘de strijkstok’! Dat de 25%-norm in de wandelgangen ook wordt aangeduid met ‘de strijkstokregeling’ is niet een kwalificering waarin je zou moeten willen berusten… De meeste goede doelen staan erbij en kijken ernaar als een konijn in een lichtbak.

Sprekende voorbeelden
Als het gevende publiek al niet weet wat nou precies wordt verstaan onder die 25% kosten fondsenwerving en de resterende 75%, dan zouden de goede doelen die zich hieraan conformeren het toch in elk geval wel moeten weten. Of in elk geval hun accountants. Toch? Niet?
Nou…één ding is zeker, zoals veel ‘harde’ normen blijkt het 25%-plafond van het CBF in de praktijk boterzacht en verschaft het de goede doelen alle gelegenheid en ruimte voor wat wel eufemistisch ‘creatief boekhouden’ wordt genoemd. Zelfs als we alle sterke verhalen die hierover in omloop zijn reduceren tot dubbelgecheckte informatie, blijven er netto voldoende sprekende voorbeelden over.

In nevelen
Om te beginnen is er geen eenduidigheid over de boekhoudkundige definitie van ‘kosten eigen fondsenwerving’. Want horen bijvoorbeeld de kosten die onder een statutaire voorlichtingsdoelstelling vallen nu onder ‘doelbesteding’ of onder ‘fondsenwerving’? Het laat een zee aan vrije interpretatie van kostentoerekening over. Het CBF-Keurmerk zegt niets over hoeveel er van de bestede euro naar de ideële doelstelling van de goede doelenorganisatie gaat. De grens tussen doelstelling en fondsenwerving is dus gehuld in nevelen. Veel goede doelen vinden voorlichting aan potentiële donateurs helemaal geen ‘fondsenwerving’, maar echt ‘doelstelling’ (‘kijk maar naar onze statuten’). Als ze tenminste niet zo slordig zijn om ook een gironummer te noemen of expliciet om donaties te vragen. Ook kosten voor huisvesting, personeel en communicatie kunnen aan de doelstelling worden toegeschreven. Of aan fondsenwerving. Of aan beheer en administratie. Ongeacht de hoogte van de kosten. Of het nut. Hoezo hard? Hoezo geen appels en peren?

Als het maar consistent is
Wat doen de accountants met die boekhoudkundige vrijheid-blijheid? Tanja Haremaker, accountant bij Mazars en gespecialiseerd in de controle van goede doelen, zei er nog niet zo lang geleden dit over in Het Financieele Dagblad: ‘Het ene goede doel gaat creatiever met de verslaggevingsregels om dan het andere. Binnen de richtlijnen kan een organisatie bepaalde keuzes maken over de toedeling van kosten. Het moet echter wel op een consistente manier gebeuren. Wat het ene jaar onder fondsenwerving valt, kun je een jaar later niet zonder meer elders presenteren. Een accountant toetst niet specifiek hoe doelmatig een bepaalde uitgave is, maar een goede accountant zal het wel opmerken als een bepaalde activiteit efficiënter kan.’ Het is van een treurigheid die geen grenzen kent: als je maar ‘consequent’ bent. Consequent in wat?
 
gerelateerde items