De casus Van den Ende: onze filantropie lijdt aan schizofrenie

8 februari 2018, 16:00
Nederland heeft historisch-cultureel een schizofrene relatie met filantropie...
Nederland heeft historisch-cultureel een schizofrene relatie met filantropie...
Het kan weinigen ontgaan zijn: de beschuldigingen aan het adres van de VandenEnde Foundation die onderzoekscollectief Argos-Groene Amsterdammer-Investico (verder: AGI) afgelopen week naar buiten bracht. Uit onderzoek zou blijken dat Joop van den Ende met semi-publiek geld de mooi-weer-mecenas speelt, terwijl hij via zijn ANBI voornamelijk zijn zakelijke eigenbelang dient: een 'sjoemelfilantroop', zoals verschillende publieksmedia hem al noemden. Dat zijn zware aantijgingen. Maar houden ze ook stand? En wat zegt deze casus eigenlijk over de houding van pers en publiek, maar ook van de overheid (fiscus) tegenover rijkdom en filantropen? Eén ding is duidelijk: Nederland heeft een complexe verhouding met (groot)gevers.

Een half miljard naar giftenaftrek

Kernpunt in de kritiek van AGI is dat de VandenEnde Foundation in governance en besteding handelt tegen de voorwaarden die van overheidswege worden gesteld aan een Algemeen Nut Beogende Instelling. De VandenEnde Foundation heeft voor deze vorm gekozen en heeft sinds 2012 een ANBI-beschikking van de Belastingdienst.
Omdat de ANBI-status een aantal belangrijke fiscale voordelen oplevert, is het redelijk dat over beheer en besteding van dit uit publieke middelen vrijgesteld kapitaal verantwoording wordt afgelegd. Daar hebben de belastingbetalers recht op en het ANBI-team van de Belastingdienst is vanuit de overheid belast met het toezicht op de ongeveer 43.000 ANBI’s in Nederland. Daarvan zijn er zo’n 5.000 als ‘vermogensfonds’ aan te merken: een fondsgevende organisatie die doorgaans vanuit het rendement op een familie- of bedrijfskapitaal uitkeert aan statutair vastgelegde, algemeen nuttige doelen.
Het fenomeen dat overheden maatschappelijke vrijgevigheid bevorderen, is een algemeen aanvaard principe binnen westerse democratieën en vrijwel altijd is de vorm daarvoor een belastingaftrek. Met de giftenaftrek investeert de overheid in Nederland jaarlijks zo’n half miljard euro vanuit de staatskas in het bevorderen van filantropie.

Afgezonderd vermogen, maar…

Argos voerde in haar uitzending van afgelopen zaterdag hoogleraar Belastingrecht Sigrid Hemels nadrukkelijk op als kroongetuige voor het kernpunt van het ANBI-beginsel: de wet verlangt dat ‘niemand kan beschikken over het vermogen van de stichting als ware het van hemzelf’. Het gaat dus om een afgezonderd, charitatief vermogen. Dit heeft ook gevolgen voor de governance. Het bestuur moet dus onafhankelijk zijn van het bedrijf of van enig privépersoon. Maar wat betekent dit voor de feitelijke bestuurssamenstelling? Neemt een major donor of familie afstand van zijn gift en heeft hij of zij er geen zeggenschap meer over? Het antwoord is: nee.
Onze DBB expert Tax & Legal mr. dr. Ineke Koele licht het als volgt toe: 'De onafhankelijkheid van het bestuur betekent niet dat je niet met een familielid of een extern adviseur in een bestuur zitting zou mogen nemen. Waar het om gaat is dat deze mensen geen ‘stromannen’ zijn, maar een onafhankelijke positie innemen in het bestuur en in de ‘interne organisatie’ van de stichting. Dat zal de Belastingdienst toetsen en het is een van de criteria waarop de laatste jaren ook nadrukkelijk sterker wordt gecontroleerd.'

Vragen bestuurssamenstelling terecht

Van den Ende heeft erkend dat zijn stichting te laks is geweest met een bestuurswisseling, gelet op het feit dat reeds drie familieleden deel uitmaakten van het bestuur. Volgens Van den Ende is, mede op aandringen van de Belastingdienst, een benoemingsprocedure voor twee nieuwe leden gestart. De Belastingdienst had de stichting gewezen op oververtegenwoordiging van de familie, sinds het vertrek van bestuurder Ewald Kist in 2016. De huidige bestuurssamenstelling met drie familieleden en twee externe bestuursleden roept inderdaad vragen op. Behalve het getalsmatige overwicht van de familie als argument, hanteert AGI ook een waardeoordeel over de twee ‘externen’ (advocaat Hans van Veggel en financieel adviseur Peter Prein) en trekt hun onafhankelijkheid in twijfel. Ze zouden (zakelijk) te dicht op de familie zitten. Een beschuldiging die AGI vooral als ‘circumstantial evidence’ gebruikt, maar niet met feiten kan onderbouwen. Dat het bestuur voor 90 tot 95% de voordrachten voor giften van de directie en externe adviseurs van de foundation overneemt, zoals Joop van den Ende in NRC liet optekenen, is vooralsnog ook moeilijk te controleren. Het algehele beeld geeft zowel fiscus als AGI dus terecht reden om kritische vragen te stellen.

Zijn de bestedingen ten algemeen nut?

Over de rechtmatigheid van de bestedingen van de VandenEnde Foundation is een complexe en behoorlijk technische discussie losgebroken. Volgens het ANBI-beginsel zou ten minste 90% van giften moeten gaan naar algemeen nuttige doelen, specifiek omschreven in de door de fiscus geaccordeerd statuten van de VandenEnde Foundation. AGI beweert dat 63% van alle giften niet voor algemeen nuttige doelen zijn gebruikt, maar voor instellingen en bedrijven waar Van den Ende zelf, zijn familie of zakenpartners bij betrokken zijn. De Groene Amsterdammer: ‘De Belastingdienst weet het, maar grijpt niet in.’
Die opmerking roept het beeld op van een onmachtige fiscus, die op de hoogte is van onregelmatigheden maar niet kan of wil ingrijpen. Er is echter een veel logischer en eenvoudiger verklaring voor het niet-ingrijpen van de fiscus dan onwil of onmacht: de Belastingdienst heeft de bestedingen klaarblijkelijk als rechtmatig beoordeeld en hoefde derhalve helemaal niet in te grijpen of de fiscus heeft de bestedingen nog in onderzoek en er (nog) geen oordeel over.

Geen dispuut met fiscus

Van den Ende zelf ontkent categorisch ook maar enig dispuut te hebben met de fiscus. De uitgaven van de VandenEnde Foundation zijn ook volgens directeur Ryclef Rienstra altijd goedgekeurd door de Belastingdienst. In het FD zegt Rienstra: 'Zeker in de beginfase van een donatie sonderen we dit. We hebben een open relatie met het ANBI-team van de fiscus.' De ANBI-beschikking van de VandenEnde Foundation, die inging op 1 januari 2012, is volgens het register niet ingetrokken en nog steeds van kracht.

Welles-nietes

De discussie over de bestedingen binnen ‘het eigen netwerk’, zoals de aflossing van de hypotheek op het DeLaMar Theater, is intussen ontaardt in een welles-nietes-spel: was het theater nou een cadeau van Van den Ende aan Amsterdam, of omgekeerd? Wie heeft hier gelijk? Voor leken is de financieringsconstructie met een revolving fund nauwelijks te begrijpen, maar hopelijk wel voor de fiscus. Het is niet AGI, niet Van den Ende, niet de gemeente Amsterdam, maar de Belastingdienst die uiteindelijk moet beoordelen of de foundation heeft voldaan aan de kernvoorwaarde van onze ANBI-wet: zijn de schenkingen voor ten minste 90% terechtgekomen bij algemeen nuttige doelen? En kwalificeert het DeLaMar als zodanig?

Extreem zware beschuldiging

Te suggereren dat een machtig zakenman als Van den Ende de Belastingdienst kan afbluffen of dreigen en een uitzonderingspositie kan afdwingen, is een extreem zware beschuldiging die ook een extreem goed bewijs vraagt. Dat is er vooralsnog niet, of er moeten zich nieuwe feiten voordoen die AGI nog boven tafel brengt.

Openstaan voor het publiek

De casus Van den Ende geeft op een dieper niveau aan hoe over filantropie en de rol van filantropen in ons land gedacht wordt. Volgens DDB-Expert Ineke Koele is het bij corporate foundations, waar één bedrijf de weldoener is van de stichting, gebruikelijk dat er een invloed is van het bedrijf en/of de ondernemer. Koele: ‘De activiteiten worden strategisch ingezet op een wijze die algemeen nuttig is maar past bij de waarden en missie van het bedrijf. Op die wijze versterken de activiteiten van de stichting indirect de missie van het bedrijf. Daar is niets mis mee, het maakt de activiteiten van de stichting niet per se minder algemeen nuttig. Voor wat betreft de reikwijdte van de activiteiten van de stichting gaat het erom, dat het ‘netwerk’ voor potentiële begunstigers open moet staan voor het publiek; daar mogen echter wel kwaliteitseisen aan worden gesteld die passen binnen de algemeen nuttige doelstelling van de stichting.’
gerelateerde items