Toon alles (3)
Ineke Koele

Het is evenmin uit te leggen dat de overheid een periodieke gift aan een ANBI voor 5 jaren blijft doorlopen, tenzij de schenker én zijn vrouw zijn overleden, niet kwalificeert voor aftrek omdat niet zou zijn voldaan aan de z.g. veronderstelde statistische sterftekans van beiden om te kunnen spreken van een periodieke uitkering. De schenker wil juist de ANBI met een grotere mate van zekerheid bedenken, maar wordt gestraft door de weigering van de aftrekbaarheid. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 augustus 2015 oordeelde in die zin en uit reacties van de belastingdienst moeten we afleiden dat dit geen incident inhield, maar een bewuste beleidslijn.

Een schenker die zijn schenking ineens ter beschikking van een ANBI wil laten komen, dient zijn periodieke schenking vooruit renteloos te lenen aan de ANBI en de jaarlijkse uitkering te verrekenen met de uitstaande schuld. Indien de schenker bepaalt dat de pro resto uitstaande schuld bij zijn overlijden wordt kwijtgescholden aan de ANBI, is in de visie van de belastingdienst geen sprake van een periodieke gift meer omdat er geen sprake meer is van ‘onzekerheid’ aan de zijde van de ANBI. Dit is niet alleen een juridisch zeer kwestieus standpunt, maar leidt bovendien tot onnodige complexiteit en stagnatie; donoren kunnen ANBI’s dus in feite niet garanderen dat zij ‘de schenking’ krijgen, want zij kunnen hun (tijdelijke) onsterfelijkheid niet garanderen. Het testament zou hierop kunnen worden aangepast van de donor, maar dat biedt uiteraard geen enkele garantie voor de ANBI (het contracteren over erfrechtelijke beschikkingen is dan ook absoluut nietig). De ANBI blijft dus met het overlijdensrisico van de donor zitten en dient bij haar bestedingen te ‘bufferen’ wat tot stagnatie van haar doelactiviteiten leidt. Veel vermogende particulieren worden afgeschrikt door de complexiteit en de onduidelijkheid van deze regels; het lijkt de expliciete bedoeling van de belastingdienst om het gebruik van de giftenaftrek te ontmoedigen.

Niet alleen wordt door het huidige beleid van de belastingdienst de belangrijkste afspraken van het Convenant tussen de Samenwerkende brancheorganisaties Filantropie en het kabinet ernstig gefrustreerd. Mijn commentaar is echter fundamenteler van aard:
Een overheid die zich terugtrekt op kerntaken dient de concurrentie niet aan te gaan met het private initiatief, maar deze juist ten principale te steunen. Het is daarom tijd voor een Ministerie van het Algemeen Nut, waarin de belangen van de ‘monitor’democratie worden gediend en de naargeestige stemming op het Ministerie van Financiën wordt ingeruild voor een positieve attitude. Er is veel te winnen maar ook te verliezen. De korte termijnvisie van een budgettair overheidsbelang weegt bij lange na niet op tegen de belangen van de maatschappij als geheel voor een gunstig fiscaal klimaat voor maatschappelijke vrijgevigheid. Zonder zo’n gunstig klimaat gooien wij onze democratische grondbeginselen te grabbel en leveren we de slagkracht van onze samenleving in.
Zegt het voort !

Panta rhei, alles stroomt. De maatschappij is in beweging. De belastingwetgeving is echter geen grabbelton, waarin naar believen kan worden geroerd en is op het punt van de fiscaliteit van maatschappelijke liberaliteit beginselvast. Slechts in de nuancering kan politiek worden bedreven.
 
[1] Zie Marc Chavannes, de Correspondent december 2015.
[2] Zoals Prof. Kavelaars, die in de Commissie Dijkhuizen zitting had. 
2/2
gerelateerde items