‘Tijdens FAFI-bijeenkomsten praten we over hoe we dit kunnen doorgeven aan onze collega’s bij andere banken. Soms voelen we ons net pioniers die nieuw terrein onderzoeken, terwijl we onze collega’s proberen te overtuigen van de waarde van filantropie-advies en ervoor proberen te zorgen dat ook zij erover gaan praten met hun cliënten’, zegt Jacqueline. ‘Na het twintig jaar aanbieden van deze service, weet ik dat we de tijd aan onze kant hebben. Filantropie is hot en onze bankiers nodigen me vaak uit om bij besprekingen met cliënten te komen zitten.’
Maartje voegt toe: ‘We geven ook regelmatig presentaties aan onze fondsenmanagers. Vorige week kwam een manager na zo’n presentatie naar me toe om te vertellen dat hij zo door ons geïnspireerd was dat hij zelf aan goede doelen wilde gaan geven!’ Dit laat zien dat het ook impact heeft binnen de banken zelf.
 
Effect op cliënten
Bij deze vier banken krijgen cliënten professionele steun bij de ontwikkeling van hun geefstrategie. Maar cliënten worden ook geholpen bij praktische zaken, zoals het maken van een website, een beleidsplan, het definiëren van het doel en het identificeren van betrouwbare organisaties. Banken proberen daarbij onafhankelijk advies te geven en werken samen met de Kennisbank Filantropie - de database waar goede doelenorganisaties zich gratis kunnen registeren - om passende organisaties voor hun cliënten te vinden.
 
Maar wat is nu precies het effect op de cliënt? Andrew: ‘Van Lanschot is een bank voor vermogende mensen. Het bespreken van financiële planning beslaat een groot deel van onze diensten. Door deze besprekingen kan de cliënt zich realiseren dat hij of zij genoeg geld heeft om (meer) te geven.’
Jasmijn: ‘Veel cliënten die we bezoeken zijn al bezig met filantropie, maar vaak op een ongestructureerde manier. Ze doneren aan van alles dat voorbijkomt, zonder focus of duidelijke richting. Wij gaan met die cliënten en hun familie om tafel om uit te vinden wat ze precies willen bereiken met hun giften. Als we duidelijke focus hebben, blijkt dat ze hun giften veel prettiger doen.’
Jacqueline is het daarmee eens: ‘Bij Insinger de Beaufort helpen we cliënten ook met administratieve diensten. We richten bijvoorbeeld een stichting voor ze op en voeren de administratieve taken uit. Dit betekent voor de cliënt meer tijd om te geven en minder tijd te besteden aan de rompslomp van het leiden van de stichting.’
Guus voegt toe: ‘Wij helpen cliënten die meer dan vijftigduizend euro willen doneren met het opstellen van een strategisch plan. Dat betekent goed luisteren, want hun wensen zijn vaak heel persoonlijk en gemotiveerd door emotie. We ontwikkelen een geefplan en zoeken daar de juiste goede doelenorganisaties bij.’
 
Impact op goede doelenorganisaties
Vragen cliënten van deze banken weleens om impactmeting? Jacqueline: ‘Het is niet de vraag die het eerst gesteld wordt. In het begin moet je aan veel dingen denken en impact is daar niet meteen eentje van. Wat ik wel zie, is het ondernemende type gever dat projecten wil ondersteunen die schaalbaar zijn. Zo investeerde een van onze cliënten in een onderzoeksprogramma van een ziekenhuis, dat in de tweede fase werd uitgebreid tot negen andere ziekenhuizen.’
Andrew legt uit: ‘Door de conversaties met onze cliënten geven ze meer aan goede doelenorganisaties. Vaak gaat het niet alleen om geld, maar willen ze ook helpen door hun tijd en netwerk ter beschikking te stellen. Vorige maand zijn we een programma gestart met Ashoka, waardoor we nu cliënten hebben die maatschappelijke ondernemers willen ondersteunen. Die brengen we in contact met Ashoka of nodigen we uit voor een van hun evenementen.’
Jasmijn: ‘Omdat we met een landelijke database werken, hebben we toegang tot gedetailleerde informatie van duizenden goede doelenorganisaties. Het helpt echt daaruit de meest effectieve organisaties te halen die het best passen bij de voorkeuren van onze cliënten. Daardoor gaat het geld niet altijd naar de bekendste organisaties, maar naar de meest effectieve.’
 
Cliënten willen niet dat goede doelenorganisaties afhankelijk van hen blijven en daarom moet er ook een exit-strategie bedacht worden. ‘Guus: ‘Geven kan alleen succesvol zijn als je op een gegeven moment niet meer nodig bent. Cliënten willen graag investeren in structurele verandering, dus in plaats van voedselhulp te geven, willen ze liever voorzien in agrarische kennis.’
 
Concullega’s
Een ander typisch Nederlands woord is concullega’s. De vier banken zijn concurrenten van elkaar, maar er is voldoende informatie die ze kunnen delen en bespreken. In het FAFI-netwerk zijn ze allereerst collega’s en daarna pas concurrenten. Door hun ervaringen te delen kunnen ze hun werk verbeteren. De deelnemers in het netwerk streven ernaar meer mensen meer euro’s te laten doneren, hetgeen weer leidt tot meer giften aan goede doelen. Cliënten hebben het voordeel dat ze beter geïnformeerd zijn, waardoor ze verstandiger kunnen geven en meer plezier beleven aan hun filantropische reis. Dit leidt tot positieve effecten op goede doelen, die weer meer impact kunnen creëren. Klant- en goede doelentevredenheid leiden tot tevredener werknemers in een betere werkomgeving. Om een van de slogans van de banken te parafraseren: Een betere bank die bijdraagt aan een betere wereld! 
 
Dit artikel is gebaseerd op interviews met Jacqueline Komin (Insinger de Beaufort Charity Office), Guus Loomans (Rabobank Charity Management), Andrew Mackay (Van Lanschot Charity Service), Jasmijn Melse (ABN AMRO MeesPierson Philanthropy Advice) en Maartje van Aardenne (ABN AMRO MeesPierson Philanthropy Advice) en verscheen eerder in Philanthropy Impact Magazine in het Engels. Vertaald door Kirsten Karmiggelt.
 
 
*drs. Jacqueline Detiger werkt al meer dan twintig jaar in de filantropiesector. Samen met Luuk van Term leidt ze het adviesbureau Beter Geven. Beter Geven adviseert goede doelenorganisaties in binnen- en buitenland.
 
2/2
gerelateerde items