25 procent Fabeltjesland

24 september 2015, 04:00
Venema&Groenhuijsen: Het denken in kosten als investeringen voor een maatschappelijk rendement stuit op een muur van angst voor het oordeel van de donateur.
Venema&Groenhuijsen: Het denken in kosten als investeringen voor een maatschappelijk rendement stuit op een muur van angst voor het oordeel van de donateur.
Na decennia van kostendenken komt in het nieuwe validatiestelsel eindelijk meer aandacht voor de doelstelling en de bereikte resultaten. De kosten zouden dus meer en logischer moeten worden gerelateerd aan de maatschappelijke opbrengsten. En daarmee kan het gefixeerde kostenpercentage in relatie tot de inkomsten eindelijk waar het thuishoort: in Fabeltjesland. De 25 procentnorm die door het CBF wordt gehanteerd als kostenplafond heeft, zoals ook filantropieprof René Bekkers in de Volkskrant van afgelopen zaterdag stelde, geleid tot tamelijk doorzichtige toneelstukjes en ‘strategisch boekhouden’. Berucht zijn de ‘voorlichtingskosten’. Voor de bühne worden daarmee de post doelbesteding vetgemest, maar wat nou precies is uitgegeven aan het verwezenlijken daarvan? Wie houdt nu wie voor de gek? U mag het zeggen.
Fijn toch als die 25 procent - of welk ander absoluut getal – verdwijnt? Kan de vlag uit?
Was het goede doelenleven maar zo simpel. Het denken in kosten als investeringen voor een maatschappelijk rendement stuit op een muur van angst voor het oordeel van de donateur. Die eist namelijk op hoge toon dat er zoveel mogelijk naar ‘het goede doel’ moet. En waarom? Omdat noodzakelijke organisatiekosten tientallen jaren zijn ‘geframed’ als kosten die niets met de doelstelling te maken hebben. Die framing wordt structureel gevoed door de 25 procentnorm: die veronderstelt een absolute bovengrens. Daaronder zit je ‘goed’; daarboven zit je ‘fout’. Elke vorm van relativiteit valt nu ten prooi aan de strijkstokdiscussie.
Betekent het loslaten van een absolute norm een vrijbrief voor torenhoge kosten? Wat een onzin. Natuurlijk hebben goede doelen de plicht om voor een optimale ratio te zorgen en elk dubbeltje van de donateur drie keer om te keren. Maar het allerbelangrijkste is wel dit: hebben bestuurders van goede doelen werkelijk de moed om te investeren in impactdenken en –handelen? En vooral om te investeren in de noodzakelijke dialoog met de gevers? En ja: niet alle impact kun je (nog) meten. Maar vertel dat! Leg het uit. Laat u niet regeren door angst. Dat is altijd al een beroerde raadgever geweest.
gerelateerde items