Unieke studie: Europese filantropie is goed voor bijna 100 miljard euro per jaar

23 maart 2017, 06:55
Meer dan 40 wetenschappers uit 20 Europese landen maakten 'Giving in Europe'
Meer dan 40 wetenschappers uit 20 Europese landen maakten 'Giving in Europe'
Een regelrecht huzarenstukje, anders kan de pioniersstudie ‘Giving in Europe’ niet genoemd worden. Meer dan veertig wetenschappers uit twintig landen hebben de Europese filantropie in kaart gebracht. Model hiervoor stond het unieke Nederlandse VU-onderzoek ‘Geven in Nederland’, dat op 20 april haar twintigjarig jubileum viert. Een sterk staaltje vrijwilligerswerk van het European Research Network On Philanthropy (ERNOP): met veel witte plekken nog wel, maar met een stevige indicatie voor de Europese ‘civil power’: goed voor bijna 100 miljard euro per jaar.
 
De studie ‘Giving in Europe’ is nu voor iedereen die geïnteresseerd is in de kracht van het private initiatief op het Europese continent beschikbaar. De Dikke Blauwe sprak met de eindredacteuren van de studie, prof. Theo Schuyt (ERNOP President) en Barry Hoolwerf (ERNOP Executive Director), bij de lancering van het boek, dat wordt uitgegeven door social enterprise Lenthe.
 
DDB: Is Giving in Europe een Nederlands exportproduct?
Schuyt: ‘Jazeker, al heeft het lang geduurd voordat we het konden uitvoeren en tot uitvoer brengen. Begin van deze eeuw hadden wij vanuit de VU al plannen om het model Geven in Nederland (gestart in 1996, red.) ook op Europa toe te passen en twee belangrijke dingen te doen: data over bijdragen in kaart brengen en de maatschappelijke kracht zichtbaar maken. Dat is uniek in de wereld. Niet vergelijkbaar met Giving USA, een studie die zich beperkt tot een dataset en een macro-economisch model. Trouwens, hoe vaak moeten we uitleggen dat filantropie geen Amerikaanse, maar Europese uitvinding is?
We hebben stevig gelobbyd al in de tijd dat Balkenende nog premier was en wij via de Europese unie de handen op elkaar probeerden te krijgen voor financiering. Vooral de bankiers bleken geïnteresseerd. Ik was persoonlijk een vloeipapiertje verwijderd van een deal met Maurice Lippens van Fortis in Brussel; twee maanden later lag die bank op zijn gat. Weg kans. Daarna hebben we onze strategie gewijzigd. Met name Barry Hoolwerf heeft veel tijd gestoken in het benaderen van allerlei Europese koepels, ngo’s en en fundraisers. Daarna meldde zich nog een derde categorie geïnteresseerden: pollingbureau TNS NIPO. Met de oprichting van ERNOP, een samenwerkingsverband van Europese filantropie-onderzoekers, kwam alles in een stroomversnelling en begon het onderzoek vorm te krijgen. In die beginjaren heeft naast Barry - de spil in dit hele onderzoek - ook Pamala Wiepking (nu Erasmus, red.) een grote bijdrage geleverd.’

 
Theo Schuyt  (©Edwin Venema/DeMooilichterij)
DDB: waarom is het na al die jaren nu wél gelukt om deze studie rond te krijgen? Hebben jullie met GIE misschien te vroeg gepiekt?
Schuyt: ‘De timing is nu goed. We hebben de wind politiek-maatschappelijk nu mee. Ik vergelijk het met de Nederlandse filantropiesector rond 1993 toen allerlei koepels en organisaties opkwamen. Op dit moment is er vanuit de politiek en de Europese Commissie veel belangstelling voor privaat geld.’
Hoolwerf: ‘De urgentie van betrouwbare data over maatschappelijke kracht wordt nu breed onderkend, ook door de recente dreigingen van ‘the closing space for philanthropy’. Het is goed als de vraag ‘wat en hoe doet filantropie ertoe?’ met empirische data beantwoord kan worden.’
Schuyt: ‘De wens om meer inzicht te hebben in civil power is niet alleen politiek gemotiveerd, maar het is ook een empirisch gegeven. Het aantal filantropische fondsen – zowel fondsenwervend als fondsgevend - in Europa is significant gegroeid. Dat geldt ook voor corporate social responsibility. En dat helemaal door autonome kracht! Ook in de schaduw van opkomende verzorgingsstaten is die burgerkracht blijven groeien.’
Hoolwerf: ‘Kijk naar de voormalige sovjet-satellieten waar de civil society vrijwel helemaal was weggemoffeld door de overheid: daar komt filantropie nu ook weer naar voren.’
 
DDB: Die empirische data zijn nu bekend en iedereen is dan natuurlijk benieuwd naar het ‘eindgetal’. Dat is logisch, maar ook gevaarlijk om er methodologische haken en ogen zijn. Veel Europese appels en peren?
Hoolwerf: ‘Het is een pionierseditie. Een beginpunt. Geen benchmark of echte nulmeting, want je ziet dat alle landen hun eigen filantropische traditie en ontwikkeling hebben. Lang niet alle landen hebben hun filantropie zo goed in beeld als Nederland of bijvoorbeeld het VK. Maar we kunnen wel zeggen dat we een stevige empirische basis hebben. Voor al onze bronnen is er gekeken naar betrouwbaarheid en validiteit. Je zou kunnen zeggen dat we een goede thermometer hebben ontwikkeld die de temperatuur van het prosociale surplus in Europa aangeeft.’
Schuyt: ‘Ons eindgetal geeft nu aan: 87,5 miljard euro. Dat is een ondergrens met bewijsbare gegevens, maar het is een onderschatting.’
 
DDB: Onderzoeken jullie verder dan komt er niet opeens het dubbele uit?
Schuyt: ‘Nee: 200 miljard zal het niet worden. We hebben zo’n 80% goed afgedekt. De belangrijkste bronnen uit de grootste Europese landen zitten erin. Gaan we alle witte vlekken invullen – dus alleen extrapoleren op betrouwbare en representatieve steekproeven en met de juiste context - dan komen we mogelijk in de richting van 93, vooruit 100 miljard euro.’
 
DDB: Hoe moeten we dat getal interpreteren?
Schuyt: ‘In absolute zin is dit bijvoorbeeld net zoveel als wat een land als Hongarije in een jaar verdient, maar het zit niet alleen in het geld. Van filantropie kan namelijk ook een hefboomwerking uitgaan. Macro-economisch is het misschien eerder ‘swimmingpool money’ dan ‘ocean money’, maar het is ‘seed capital’.
 
gerelateerde items