Maerten Verstegen: 'Ook in onze sector bestaat kinnesinne'

31 augustus 2006
Nieuws | | Personalia


Kort geleden nam hij afscheid: voorzitter én gezicht van het ISF (Instituut voor Sponsoring en Fondsenwerving) Maerten Verstegen. Zijn grote verdienste: ‘De kleine organisaties hebben een duidelijke eigen stem.' Hoe kijkt hij terug én vooruit?

 


‘Er is geen eenduidig startpunt van het ISF, het is eind jaren tachtig min of meer logisch voortgevloeid uit mijn activiteiten als fondsenwerver voor het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen. Toentertijd was ik daar directeur en we zaten volop in het tijdperk van drastische besparingen. We dreigden als ziekenhuizen af te zakken naar een beddenpakhuis. De overheid had de mond vol over het-ziekenhuis-als-gasthuis, maar wenste daar steeds minder voor te betalen.'

 


Bedelen: dat nooit!

 


‘Wij wilden graag een binnenplaats overkappen om zo een mooie, extra ruimte voor onze patiënten te creëren. Dat kostte 2 miljoen gulden, waarvoor we fondsen en sponsors gingen zoeken. Volstrekt nieuw voor een ziekenhuis. Dat hebben we geweten!

 


Fondsenwerven stond ongeveer gelijk aan bedelen en daar heeft de medische wereld een hekel aan. Vergeet niet dat de gezondheidszorg uit een traditie komt van weldoeners en pannetjes soep. Een schrikbeeld waar ze niet graag naar terug willen. Onze hele gezondheidszorg was gewend geraakt aan een allesfinancierende staat. Ik werd gezien als de "commerciële jongen van de gezondheidszorg". En dat was toen geen compliment.

 


Steeds vaker werd ik gevraagd om te adviseren over sponsoring en fondsenwerving. De bezuinigingsgolf zwol aan en steeds meer ziekenhuizen en instellingen wilden ons voorbeeld volgen. Uit mijn activiteiten is toen eind jaren tachtig het ISF ontstaan. Bedoeld als kenniscentrum voor gezondheidsinstellingen met fondsenwerfambities.

 


Daarna heb ik het klimaat rondom fondsenwerving in de gezondheidszorg snel zien veranderen. De zakelijke en economisch-georïenteerde jaren negentig werkten ook mee.'

 


Professionalisering en meer invloed

 


‘De doelstellingen van het ISF zijn steeds ruimer geworden. In rap tempo hebben we ons ontwikkeld tot expertisecentrum en platform voor kleinere, lokaal opererende organisaties, met nadruk op cultuur, gezondheidszorg en onderwijs. Ik ben er trots op dat we de afgelopen vijftien jaar steeds meer invloed hebben gekregen. Ooit moest ik mijzelf uitnodigen voor een overleg met de overheid, tegenwoordig is het IFS als serieuze branche-organisatie lid van het onlangs opgerichte SBF. In de laatste Nota Wijn worden we expliciet genoemd.

 


Onze achterban is zeer gevarieerd: van een heel kleine zorginstelling die een paar duizend euro per jaar werft tot het Emma Kinderziekenhuis.

 


De ontwikkeling van het ISF staat niet los van de professionalisering die de hele filantropische sector de laatste tien jaar heeft doorgemaakt. De civil society wordt gemeengoed, de burger krijgt en neemt steeds meer eigen verantwoordelijkheid en daar hoort een volwassen filantropische sector bij. Daar dragen wij aan bij.'

 


Waar blijft dat kleine CBF-Keurmerk?

 


‘Natuurlijk blijft er nog van alles te wensen. Ik ben een groot voorstander van één overkoepelend CBF-keurmerk voor de hele sector, waaronder je dan verschillende sets van criteria hangt voor organisaties van verschillende omvang. Het huidige CBF-keurmerk is onbetaalbaar, onhaalbaar en onpraktisch voor kleinere goede doelen. En de ‘Verklaring van Geen Bezwaar' vind ik een surrogaat. Als dát vertrouwen moet wekken bij het publiek! Ik word vaak uitgelachen als ik daar weer over begin, maar velen zijn het inmiddels wel met me eens.

 


Het is teleurstellend dat er ondanks allerlei pogingen nog steeds niet één overkoepelend CBF-keur is. Maar een keer zal dat er komen, daar ben ik van overtuigd. Wat er ook op het CBF is aan te merken, die club bestaat nu eenmaal en heeft expertise, dus laten we daarmee verder werken. Ik heb wel eens geroepen dat we in geval van nood zelf maar een apart keurmerk voor kleine doelen moeten opzetten, maar dat is absoluut niet mijn eerste keus. Ik zie geen probleem in een groot aantal organisaties met CBF-keurmerk, ik ben niet zo bang voor onderlinge concurrentie. We moeten vermijden dat het in onze sector net zo gaat als bij de scharreleieren, daar zijn geloof ik 12 keurmerken.

 


Mocht het onverhoopt toch niet lukken met dat ene Keurmerk voor landelijke en lokale doelen? Dan wordt het ISF wel gedwongen om een eigen systematiek voor kwaliteitstoetsing te ontwikkelen. Een idee daarvoor ligt op de plank. Ik denk dan aan een systeem van peer review, vergelijkbaar met de medische sector.'

 


Filantropische sector is een middel en geen doel

 


Ik ben enigszins teleurgesteld in het onvermogen van onze branche om met één mond te spreken. Soms kijken we nog teveel naar elkaar als concurrenten en te weinig vanuit gemeenschappelijke doelstellingen. We werken tenslotte allemaal aan een betere wereld en we moeten ervoor waken dat we ooit een doel op zich worden. Wij zijn niet meer dan een middel.

 


Helaas is er ook in onze sector kinnesinne: niet iedereen is er bij gebaat als de kleine doelen zich steeds duidelijker manifesteren. Terwijl onze aanhang voortdurend groeit. De trend naar het geven-dichtbij-huis is onmiskenbaar.

 


Ik hoop ook dat er snel meer onderzoek naar de kleinere organisaties komt. Niemand weet nu hoeveel het er zijn, en hoeveel geld er omgaat. De NRC sprak laatst over 5000 kleine initiatieven alleen al in de ontwikkelingssamenwerking, maar niemand weet het precies. Ook hier is transparantie belangrijk.'

 


Idealen

 


‘Ik ga niet stilzitten. Ik zet me in voor de Stichting East Africa Support, die via microfinanciering vrouwen ondersteunt in het verwerven van eigen inkomsten. Inderdaad, die stichting is een van de doe-het-zelvers, waar vooral de grotere ontwikkelingsorganisaties niet blij mee zijn. Mijn idee is dat ze ook een beetje bang zijn voor deze aansprekende initiatieven. En dat zou bij idealistische mensen eigenlijk niet moeten. En fondsenwervers zijn meestal idealisten, heb ik gemerkt.'