Toon alles (2)

Uitkeren is interen: scenario's voor vermogensfondsen

21 september 2016, 17:00
Blijven uitkeren is interen, of toch een hoger risicoprofiel? Dilemma's voor vermogensfondsen nu het rendement op vermogen onder enorme druk staat.
Blijven uitkeren is interen, of toch een hoger risicoprofiel? Dilemma's voor vermogensfondsen nu het rendement op vermogen onder enorme druk staat.
door Hermar Jansen en Louis Dieperink

In de afgelopen tien jaar zijn de marktomstandigheden radicaal veranderd. Tien jaar geleden stond de tienjaarsrente op Nederlands staatspapier nog op 4,0%. Vandaag de dag is dit percentage gedaald tot slechts 0,5%. Hiermee zijn de rendementsverwachtingen van de totale vastrentende markt aanzienlijk lager komen te liggen. Dit heeft grote gevolgen voor de vermogensfondsen in Nederland. Deze fondsen zijn immers sterk afhankelijk van de inkomsten uit het vermogen, aangezien ze veelal geen alternatieve inkomstenbronnen hebben zoals fondsenwervende instellingen.

 
Huidig renteklimaat is van invloed op haalbaarheid doelstellingen
Onze ervaring leert dat in de statuten van vermogensfondsen veelal een dubbele doelstelling is opgenomen. Aan de ene kant wordt naar vermogensbehoud gestreefd (veelal in reële zin) en aan de andere kant ligt vast welk percentage of welk bedrag jaarlijks wordt uitgekeerd aan de doelstelling. Door de huidige lage rentestand is vermogensbehoud echter gecombineerd met een wezenlijke uitkering veelal geen haalbare kaart meer.
 
Voorwaarden ANBI vergroten het spanningsveld
Nu kunnen statuten uiteraard worden aangepast. De meeste vermogensfondsen zijn echter 'algemeen nut beogend' en beschikken over de zogenaamde ANBI-status. Deze status levert diverse fiscale voordelen op. Zo is over schenkingen die door de ANBI worden ontvangen of die door haar worden gedaan geen belasting verschuldigd. Om de ANBI-status te verkrijgen en te behouden dient wel aan bepaalde voorwaarden te worden voldaan.
Een van deze voorwaarden is het zogenoemde bestedingscriterium. Dat wil zeggen dat de uitgaven van een vermogensfonds met ANBI-status voor tenminste 90% ten goede moeten komen aan het algemeen nut. Ook is bepaald dat de ANBI niet meer vermogen mag aanhouden dan redelijkerwijs nodig is om de continuïteit van de werkzaamheden van het vermogensfonds te waarborgen. Dit laatste wordt ook wel ‘de anti-oppoteis’ genoemd. Voornoemde voorwaarden kunnen tot een spanningsveld leiden, temeer daar het een open norm is waarover veel onduidelijkheid bestaat.
Voor inkomsten uit commerciële activiteiten geldt een bestedingseis van 90% van de directe inkomsten aan de vastgelegde doelstelling. Dit geldt echter niet voor beleggingsinkomsten. Hierdoor bestaat over de minimale hoogte van de jaarlijkse uitkering nog veel onduidelijkheid.
 
Wat verwacht de Belastingdienst inzake de uitkeringen van een ANBI
Om meer duidelijkheid te krijgen hebben wij contact gezocht met het ANBI-team van de belastingdienst. Inzake het wenselijke uitkeringsniveau voor vermogensfondsen met een ANBI-status stelt de Belastingdienst het volgende.
Voor een vermogensfonds met de ANBI-status en met een stamvermogen (sinds 2008 moet dat expliciet door de schenker zijn aangegeven) dient het rendement te worden uitgegeven.
Als rendement worden directe inkomsten (rente, coupons en dividenden) en gerealiseerde koerswinsten gezien. Gerealiseerde koerswinsten mogen niet worden gebruikt om op te potten, uitkering binnen een jaar is echter niet verplicht, aangezien de uitkeringen wel met beleid dienen te gebeuren.
 
Het is niet nodig met ongerealiseerde koerswinsten rekening te houden, voor zover deze niet buitensporig zijn. Ongerealiseerde koerswinsten kunnen worden beschouwd als onderdeel van de continuïteitsreserve. In de toelichting bij artikel 1b (zie staatscourant 22 juni 2012, nr. 12737) wordt aangegeven dat bij reservevorming rekening mag worden gehouden met toekomstige fluctuaties in rendementen. Het is dan wel zaak dat daarnaast niet ook een andere reserve wordt aangehouden. Het is het één of het ander. In dat kader is het verder van belang dat ongerealiseerde koersverliezen niet van jaar tot jaar gecompenseerd worden. Maar dat dat over een reeks van jaren moet worden bezien.
Worden de ongerealiseerde koersresultaten (en dus het vermogen) extreem dan dient het bestuur een gedeelte van de koerswinsten te realiseren of zich een nieuwe visie te gaan vormen over het niveau van de uitkeringen.
Als fondsen van bovenstaande regels wensen af te wijken dan dienen ze daarover op individueel niveau afspraken te maken met de fiscus.     
gerelateerde items