Concept-visie CBF na intensieve stakeholders-dialoog: Alle ballen op zelfregulering en reflectief toezicht

18 september 2014, 04:00
Concept-visie CBF na intensieve stakeholders-dialoog: Alle ballen op zelfregulering en reflectief toezicht
Concept-visie CBF na intensieve stakeholders-dialoog: Alle ballen op zelfregulering en reflectief toezicht
Een nieuw stelsel van toezicht en kwaliteitsverbetering in de filantropiesector moet uitgaan van zelfregulering. De overheid speelt slechts een ondersteunende rol, bijvoorbeeld door horizontale toezichtsarrangementen en/of een bekrachtiging van afspraken die de sector zelf maakt. Het toezicht moet onafhankelijk van, maar wel met inspraak van de sector worden ingericht op basis van eenvoud, een gedifferentieerde norm en reflectief toezicht om kwaliteitsverbetering te stimuleren. 
Dit zijn enkele van de kernpunten uit een voorlopige visie van het Centraal Bureau Fondsenwerving. Het CBF formuleerde de contouren van deze visie in het kader van een nog lopend proces van uitgebreide en open dialoog met de sector en op basis van opinieonderzoek onder donateurs.  
Met deze conceptvisie wijkt het CBF nadrukkelijk af van de adviezen die de Commissie de Jong begin dit jaar uitbracht aan de overheid. De Jong c.s. pleitte juist voor meer overheidsbemoeienis.

Wat vooraf ging
De filantropiesector (supra-koepel SBF) en overheid praten binnen het kader van het Convenant ‘Ruimte voor geven’ al geruime tijd over een nieuw stelsel van verantwoording en toezicht in de Nederlandse filantropie. Over dit zogenoemde nieuwe ‘validatiestelsel’ bracht de Commissie De Jong begin dit jaar al een advies uit aan staatssecretaris Teeven van Veilig & Justitie, het coördinerende ministerie vanuit de overheid (voor een uitgebreid overzicht van de ontwikkelingen en de kernpunten van en reacties op het advies van de Commissie De Jong: klik hier).

De rol van het CBF
Over de rol van het CBF binnen het nieuw te vormen validatiestelsel bestond veel onduidelijkheid. Ook was er in de sector veel onvrede over de opstelling van het CBF, dat door critici werd aangeduid met ‘afstandelijk’, en ‘hautain’. Het CBF erkende dat zij te veel vanuit een ivoren toren opereerde en voeling met de sector was kwijtgeraakt. Begin dit jaar besloot het CBF-bestuur in samenspraak met interim-directeur Schmidt tot een radicale koerswijziging (voor het uitgebreide interview met Schmidt hierover: klik hier) en startte een traject van open dialoog met de sector. Dit proces van samenspraak wordt binnenkort afgerond.
Ook werd er desk research gedaan naar omstandigheden in de ons omringende landen en een opinieonderzoek uitgevoerd naar de wensen van donateurs.
Naar verwachting zal het CBF in oktober een definitief advies aanbieden aan het bestuur van SBF, de suprakoepel waarin fondsenwervers (VFI, IF), vermogensfondsen (FIN) en kerken (CIO) vertegenwoordigd zijn. Het advies kan door de SBF mede gebruikt worden om met de overheid nadere afspraken te maken over een nieuw validatiestelsel voor de sector. Gezien het proces van zorgvuldige dialoog met alle relevante stakeholders, zal de uiteindelijke visie naar het zich nu laat aanzien op een breed draagvlak in de sector kunnen rekenen en dus een belangrijke rol spelen in de besluitvorming.
Of het CBF zelf een rol zal spelen in het nieuwe stelsel, is op dit moment noch duidelijk, noch zeker. Op basis van de voorliggende conceptadviezen zal de rol van de toezichthouder binnen een nieuw stelsel in elk geval op een aantal belangrijke punten wijzigen (zie hierna) en zullen ook aanvullende competenties nodig zijn.

Op basis van inzage in het volledige, eerste conceptrapport, noteert Filanthropium de volgende uitgangspunten en aanbevelingen vanuit de sector:

CBF-visie op een nieuw stelsel voor toezicht en kwaliteitsverbetering voor de filantropische sector

Brede uitgangspunten:

1.  Vertrouwen kan niet alleen geregeld worden door beter toezicht: het gaat ook om kwaliteit, professionaliteit, zichtbaarheid, herkenbaarheid en resultaten.

2.      Anders dan de Commissie de Jong adviseert moet het nieuwe stelsel uitgaan van het primaat van zelfregulering: het moet gebaseerd zijn en aansluiten bij de specifieke wensen en uitdagingen van de sector zelf, breed gedragen worden en anticiperen op toekomstige ontwikkelingen: er moet volop ruimte voor innovatie komen.

3.      Behoud van de diversiteit en de eigenheid van burgerinitiatieven moeten centraal staan.

4.      De civil society moet vanuit vertrouwen gefaciliteerd worden en niet gefrustreerd door te veel bureaucratie.

5.      Er moet respect zijn voor de eigenstandige rol van vermogensfondsen door de overheid: de substitutiereflex dient onderdrukt te worden.

6.      Reflectief toezicht in plaats van reactief toezicht: meedenkend toezicht gericht op het uiteindelijke doel, meer gericht op impact dan op output.

7.      Het stelsel moet betrekking hebben op de gehele filantropische keten: gever, organisaties en begunstigden.

8.      Meer lerend vermogen: er is een combinatie gewenst van handhaving van harde (minimale) normen en inhoudelijke auditgesprekken om kwaliteitsverbetering en professionalisering te stimuleren. Dit betekent dat de toezichthouder inhoudelijk goed gekwalificeerde mensen moet inzetten.

9.      Het stelsel moet eenvoudig en eenduidig zijn: geen administratieve lastenverzwaring en ontdubbeling van taken.

10.  Het stelsel gaat uit van een gedifferentieerde basisnorm: er is een set basisnormen voor iedereen, maar deze zijn gedifferentieerd naar soort en grootte van de organisatie.

11.  Het toezicht richt zich op de basisnorm, maar stimuleert ook wat boven de norm uitstijgt.

12.  Organisaties laten zien dat zij op de basisnorm gecertificeerd zijn: zij voldoen aan de basis. Dit is in eerste aanleg dus niet een ‘excellentie-keurmerk’. In de toekomst kunnen varianten ontwikkeld worden, maar voor de eerste fase is eenduidigheid, brede werking en vertrouwen de focus.
De volgende 4 varianten worden door CBF genoemd:
I.         De basisnorm (die gedifferentieerd is) geldt voor iedereen.
II.        De basisnorm (die gedifferentieerd is) geldt voor iedereen, en het is mogelijk dat organisaties zichzelf op deze basisnorm laten certificeren (en een keurmerk krijgen). Zij kunnen zo aan de buitenwereld laten zien dat zij zijn gecontroleerd op het voldoen aan de norm.
III.       De basisnorm (die gedifferentieerd is) geldt voor iedereen. Daarnaast bestaat er een keurmerk waardoor organisaties die dat wensen, kunnen laten zien dat zij excelleren en zichzelf hogere standaards opleggen dan de basisnorm.
IV.       De basisnorm (die gedifferentieerd is) geldt voor iedereen. Op het Centraal Informatiepunt Filantropie, dat gecertificeerde informatie bevat over alle instellingen die aan de norm voldoen, kunnen consumenten/donateurs zien of een organisatie hierin is opgenomen (en dus aan de norm voldoet). 80% van de mensen wil weten: is een goed doel betrouwbaar of niet. Voor hen is het voldoende te weten dat een organisatie aan de norm voldoet. 20% van mensen wil zich er verder in kunnen verdiepen. Voor hen zijn de diverse deelaspecten van de norm inzichtelijk, zodat organisaties daarop vergeleken kunnen worden. Zo wordt inzicht geboden in prestaties en nageleefde standaards op diverse gebieden. Dit is interessant voor consumenten/donateurs die meer over een organisatie willen weten.

13.  Organisaties die binnen het nieuwe stelsel gecertificeerd worden, worden opgenomen in het Register van het Centraal Informatiepunt Filantropie.

14.  Bij het Centraal Informatiepunt Filantropie kunnen donateurs gekwalificeerde informatie over de organisaties inzien (zie ook punt 12.).

Functies en verantwoordelijkheden binnen een nieuw stelsel van toezicht:

De Multistakeholder
De norm die ten grondslag ligt aan het stelsel geldt in principe voor alle filantropische instellingen. Er wordt hierbij gedifferentieerd naar soort en grootte van instelling. De normen worden voor de diverse soorten filantropische instellingen vastgesteld door een Multistakeholderorgaan, waarin diverse partijen uit de sector en vertegenwoordigers van andere stakeholders zitting hebben. Hierin wordt wel differentiatie aangebracht. Het is volgens het CBF een breed gedragen wens in de sector om het stellen van de norm los te koppelen van het houden van toezicht op de norm. De normen moeten voor een periode gelden, daarna komen ze weer ter discussie. Dit zorgt ervoor dat de norm dynamisch blijft en steeds aangepast wordt aan recente ontwikkelingen.

Moresprudentieplatform
Zowel het publiek, journalisten, filantropische organisaties zelf, de toezichthouder en alle overige actoren in de sector kunnen casussen voorleggen aan dit platform. Het is een forum dat zaken gevraagd en ongevraagd bespreekt en bekijkt welke afwegingen er zijn te maken. Het platform doet uitspraken en biedt richtlijnen, en geeft adviezen waarmee in de auditing en bij de normstelling rekening kan worden gehouden. De richtlijnen geven ook richting aan organisaties bij invulling van beleid en organisatie.

Toezichthouder
De Toezichthouder controleert het handhaven van de normen, zowel de 'harde' als de 'zachte' normen, en grijpt in wanneer blijkt dat er bij organisaties zaken spelen die niet door de beugel kunnen. De toezichthouder houdt zich bezig met het garanderen van de basisnorm, de ondergrens.
Behalve handhaving van de 'harde' normen, is reflectief toezicht een belangrijke taak van de toezichthouder. Dat bestaat o.a. uit sectorrapportage en begeleidingsgesprekken, workshops (bijvoorbeeld over impactmeting), in samenwerking met brancheorganisaties.
Het combineren van de rollen 'Controle', 'Voorlichting', 'Klachtbehandeling/Handhaving' en 'Begeleiding' biedt voordelen. Zo houdt de toezichthouder overzicht over hoe het toegaat in de sector, dat is nodig voor het reflectieve toezicht. Voor het publiek is het ook duidelijk wanneer er één plek is waar je voor alles dat met goede doelen te maken heeft terechtkunt. Het ligt daarom voor de hand om een centrale toezichthouder filantropie in te stellen. Binnen deze toezichthouder kunnen verschillende 'kamers' worden ingericht waar specifieke know-how met betrekking tot de diverse soorten organisaties in de sector gebundeld wordt.
De toezichthouder houdt feeling met publiek en donateurs door het doen van onderzoek en het instellen van panels.

Centraal Informatiepunt Filantropie
De toezichthouder beheert de toegang tot het Centraal Informatiepunt, zodat er een gekwalificeerde database ontstaat die is getoetst op juistheid. Het Centraal Informatiepunt Filantropie biedt gekwalificeerde informatie over alle instellingen die aan de norm voldoen. Hier kunnen consumenten/donateurs zien of een organisatie hierin is opgenomen (en dus aan de norm voldoet). Daarnaast zijn de diverse deelaspecten van de norm inzichtelijk, zodat organisaties daarop vergeleken kunnen worden. Zo wordt inzicht geboden in prestaties en nageleefde standaards op diverse gebieden.

Lage administratieve druk en kosten
Het stelsel moet de filantropische organisaties zo weinig mogelijk administratieve druk opleveren. Daarom wordt bij het vaststellen van de normen steeds gekeken waar ontdubbeld kan worden in relatie tot andere verantwoordingssystemen (zoals ISO e.d.).
De kosten van het nieuwe stelsel dienen zo laag mogelijk gehouden te worden door de inzet van marktpartijen: controlewerkzaamheden door accountants consultancy door externe adviseurs. Door afspraken te maken met accountants en daar meer werkzaamheden te beleggen, kan de controle van de toezichthouder minder uitgebreid en kostbaar worden en is er ook sprake van marktwerking (accountants en adviseurs).
De accountant kan dus een deel van de harde normen toetsen, maar de toezichthouder houdt altijd de eindverantwoordelijkheid voor de controle van zowel 'harde' als 'zachte' normen.

Rol van de overheid
Om de brede werking van het stelsel te garanderen, kan de overheid bij het stelsel een puur ondersteunende rol innemen door bijvoorbeeld horizontaal toezicht, algemeen verbindendverklaringen of door bevoegdheden toe te kennen aan de private toezichthouder. Verder dan dat is het niet wenselijk dat de overheidsbemoeienis gaat, blijkt uit de breed gedeelde mening in de sector, aldus het CBF.
gerelateerde items