Verslag voorstel modernisering Succeswet d.d. 20 augustus 2009

3 september 2009, 08:59


De Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) hebben inzake het wetsvoorstel Successiewet d.d. 20 april 2009 kennis genomen van de brief van Staatssecretaris De Jager. In bijgaande brieven formuleert de SBF zijn zorg en reactie dienaangaande.



 








Aan de voorzitter en de leden



van de Vaste Commissie voor
Financiën



Tweede Kamer der
Staten-Generaal



t.a.v. de heer R. Berck,
griffier



 



 



Betreft: Nota n.a.v. Verslag
voorstel modernisering Succeswet d.d. 20 augustus 2009



 



 



Den Haag, 28 augustus 2009



 



Geachte dames en heren,



 



De Samenwerkende
Brancheorganisaties Filantropie (SBF) hebben inzake het wetsvoorstel
Successiewet d.d. 20 april 2009 kennis genomen van de brief van de
Staatssecretaris

 mr. drs. J.C. de Jager d.d. 20 augustus
2009 en de bijbehorende bijlagen:

- de Nota n.a.v. het Verslag

en



- de Nota van Wijziging






De SBF is (zoals ook vermeld in
onze brief aan uw Commissie dd. 2 juni 2009) een samenwerkingsverband van vier
brancheorganisaties binnen de sector van goede doelen, vermogensfondsen en
andere algemeen nut beogende instellingen:



Ø      FIN,
Vereniging van Fondsen in Nederland



Ø      ISF,
het Instituut voor Sponsoring en Fondsenwerving



Ø      VFI,
brancheorganisatie van wervende goededoelenorganisaties



Ø      CIO-K,
de in het CIO samenwerkende kerken






Het is bemoedigend te lezen dat het kabinet zich voor de filantropische
sector in zijn algemeenheid en ANBI-instellingen in het bijzonder zal blijven
inzetten. De SBF vertrouwt dan ook dat ook uw commissie de hierna geuite zorgen
over o.m. de definiëring van de nieuw geconcipieerde SBBI-instellingen serieus
zal willen nemen.



 



Uiteraard zijn wij graag tot een nadere toelichting bereid.



 



Hoogachtend,






dr. Rien van Gendt



voorzitter SBF *






* p.a.
FIN, Jan van Nassaustraat 102, 2596 BW Den Haag, 070-326.27.53



 



 



 



 



 



(Brief SBF dd. 28 augustus 2009)



 



Opmerkingen, vragen, kanttekeningen en
bezwaren



van Samenwerkende Brancheorganisaties
Filantropie (SBF)



 n.a.v.

Nota n.a.v. het verslag en de Nota van Wijziging inzake voorstel Successiewet




 




 



In verband met het voorstel
voor wijziging van de Successiewet vragen de Samenwerkende Brancheorganisaties
Filantropie, uw aandacht voor hun hierna weergegeven opvattingen, vragen,
kanttekeningen en bezwaren.






De SBF constateren met
voldoening dat de Staatssecretaris de door ons in onze brief van 2 juni jl.
geuite kritiek serieus heeft genomen. Dat heeft geleid tot fundamentele
wijzigingen van de tekst van het wetsvoorstel, waarmee aan een aantal van onze
wensen tegemoet is gekomen.



 



Desalniettemin blijven een
aantal passages uit het wetsvoorstel voor ons onderwerpen van aanhoudende zorg. Daarbij gaat het om
onderwerpen die tot een wijziging, aanpassing of verduidelijking vragen.



 



ANBI en SBBI

Wij maken ons grote zorgen over de consequenties en de praktische
uitvoerbaarheid, die het maken van onderscheid tussen ANBI’s en SBBI’s zal
hebben. Het is onverstandig om te verwachten dat vage regelgeving vervolgens in
de praktijk via (rechterlijke) toetsing resulteert in een scherper inzicht,
waardoor ANBI’s en SBBI’s daadwerkelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden.
Bovendien hebben de instellingen en organisaties, waarop de wetgeving
betrekking recht op heldere en duidelijke wetgeving.

Een heldere discussie vooraf met onderscheidende criteria en voorbeelden om te
laten zien wat wordt bedoeld is essentieel. Daarvan is helaas geen sprake,
hetgeen zal leiden tot onduidelijkheid en onzekerheid. Een tussenstap van een
zorgvuldige discussie over algemeen nut en sociaal belang en daarmee over
ANBI’s en SBBI’s is ons ziens nodig. Een discussie over de interpretatie van algemeen nut was ook voorheen
belangrijk, maar door de introductie van de SBBI naast de ANBI wordt het nog
belangrijker om de markering van algemeen nut te begrijpen.



Op het eerste gezicht lijkt het logisch een onderscheid te maken tussen
de privé belangen van mensen met een toegevoegde maatschappelijke waarde en het
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend dienen van het algemene belang. De twee
begrippen, namelijk Sociaal Belang (essentie van SBBI) en Algemeen Nut
(essentie van ANBI) zijn echter zo slecht en onzorgvuldig geformuleerd in het
wetsvoorstel en in de Nota naar aanleiding van het verslag, dat dit tot enorme
toetsingsproblemen en onzekerheid in de samenleving zal kunnen leiden.

Het feit dat de werkzaamheden van de SBBI bijdragen aan ‘een sterkere en
gezondere samenleving waarin iedereen meetelt en dat ook ervaart’ geldt
uiteraard ook voor het werk van vele ANBI’s. Bij SBBI’s wordt in de Nota naar
aanleiding van het verslag bij voortduring gesproken over de ‘leden van de
instelling’. Dit doet vermoeden dat SBBI’s vooral verenigingen zijn. Echter het
is niet duidelijk hoe deze insteek zich verhoudt tot de in het verslag genoemde
dorpshuizen en dansgroepen. Kennelijk is er geen vaste juridische vorm voor
SBBI’s en wordt de onduidelijkheid vergroot, doordat er geen register van
SBBI’s zal zijn zoals dat wel het geval is bij ANBI’s.



Nog los van onzorgvuldige definiëring van begrippen geldt, dat er zoveel
mengvormen zijn van organisaties, dat het in veel gevallen onmogelijk zal zijn
om eenduidig aan te geven of een organisatie een SBBI of een ANBI is. Moet een
dansgroep of een koor, dat veelvuldig optreedt in bejaardenhuizen en andere
maatschappelijke organisaties, gezien worden als een organisatie waarbij het
privé belang van de mensen die dansen of zingen overheerst of overheerst
daarbij het maatschappelijke element omdat men dit doet ten behoeve van de
samenleving. Als natuurorganisaties hun leden of contribuanten bepaalde
faciliteiten geven (toegangskaarten, rondleidingen) maar er ook zijn voor
initiatieven en activiteiten die beogen de natuur te beschermen, is er dan
sprake van een SBBI of een ANBI?

Dezelfde vraag kan worden gesteld ten aanzien van ‘Vrienden van Museum
x’-organisaties, die de vrienden bepaalde faciliteiten geven. Niet duidelijk is
of de overkoepelende organisaties van SBBI’s ANBI’s zijn, in welk geval giften
aan een dergelijke ANBI (die in aanmerking komen voor giftenaftrek in de
inkomstenbelasting) zouden kunnen worden doorgesluisd naar gerelateerde SBBI’s.



Waarschijnlijk is er een continuüm met een glijdende schaal van
organisaties die aan de ene kant als SBBI en aan de andere kant als ANBI kunnen
worden getypeerd. Waarschijnlijk ook is er een groot grijs gebied van hybride
organisaties, waarvan typering niet gemakkelijk zal zijn. Dit probleem moet
niet worden vergroot door slordige en onduidelijke formulering door de
wetgever. Er moet helderheid vooraf zijn in plaats van dat men nu
onzorgvuldigheid tolereert met de hoop dat helderheid ontstaat via
jurisprudentie die volgt. Dat is risicovol en onzorgvuldig en leidt tot
onnodige onzekerheid.



 



90% criterium

De denkwijze van de Staatssecretaris omtrent het 90% criterium heeft aan
helderheid gewonnen. Gemengde vermogensfondsen, die voor een deel een goed doel
dienen en voor een ander deel bijvoorbeeld een privé belang, zullen in de
optiek van de staatssecretaris niet fiscaal worden gesteund als ANBI.

Een ANBI dient in principe volledig het algemeen belang te dienen en de
praktische invulling daarvan is het 90% criterium. De eerste vraag hierbij is
of dergelijke gemengde organisaties in de toekomst kunnen worden omgezet in een
SBBI (op grond van de combinatie van privé en algemeen belang) of noch vallen
in de ANBI categorie, noch in de SBBI categorie.




De tweede vraag is waarom de Staatssecretaris het Duitse model van 70:30 in
plaats van 90:10 niet heeft overwogen. Bij het Duitse model kan éénderde van
het inkomen van een stichting worden aangewend ter ondersteuning van specifieke
situaties voor naaste familie (de zgn. ‘Nahe Angehörige’) zonder dat dit ten
koste gaat van de belastingvrije status van die stichting. De opmerking in de
nota naar aanleiding van het verslag dat: ‘Op grond van het civiele recht kan
een Duitse ANBI wel gedeeltelijk een particulier belang dienen, maar dan geniet
deze ANBI geen fiscale voordelen’ is onjuist.

Het positieve effect van het Duitse model is vooral psychologisch omdat het een
prikkel is om potentieel privaat familiekapitaal tijdens leven naar fondsen te
geleiden. Immers men heeft via de 70:30 constructie een veiligheidsnet voor
onverhoopte privé situaties die moeten leiden tot betalingen.



 



Integriteitstoets



Met genoegen constateren wij dat een groot deel van onze zorgen over
de voorgenomen toetsing van integriteit zijn weggenomen. Wel hebben
wij nog de volgende kanttekeningen.



- in het geval er getwijfeld wordt aan de integriteit van een
gezichtsbepalende persoon, wordt dat dan beoordeeld op basis van een
veroordeling voor een misdrijf, voor zover dat begaan is door die persoon uit
naam of namens de betrokken instelling
?

- tevens is een precisering nodig van de zwaarte van de begane misdrijven
(welk strafmaatcriterium wordt daarvoor gehanteerd?), op basis waarvan een VOG
zal worden aangevraagd.






Uitvoerbaarheid



Er dient zorgvuldig te worden omgegaan met vóór 2010 afgesloten contracten.
Wij vinden dat in het geval een donateur ervan mocht uitgaan, dat de
ANBI-status van een instelling voor een bepaalde termijn zou bestaan, deze
verwachting gerespecteerd dient te worden



 



Terugwerkende
kracht



Wij houden zorgen over de wijze waarop de nieuwe wet zal ingrijpen op de
'bestaande' rechten van ANBI's (te denken valt o.m. aan de gevolgen voor
meerjarige lijfrenteconstructies).



 



Ten slotte



In onze brief dd 2 juni 2009
hebben wij al opgemerkt dat het ons zeer heeft verbaasd, dat er over de
totstandkoming van het wetsvoorstel geen overleg heeft plaatsgevonden met ons
als vertegenwoordigers van een groot aantal ANBI’s. Over de huidige
ANBI-regeling, die pas vorig jaar in werking is getreden, is in 2006 en 2007
namelijk wel constructief overleg gevoerd met de sector.

Tijdige afstemming met de sector zou geleid hebben tot een beter op de praktijk
gebaseerd en helder wetsvoorstel en tot minder structurele aanpassingen van het
onderhavige wetsvoorstel. Bovendien zou het een bevestiging hebben kunnen geven
van de opvatting van het kabinet dat onze sector van groot maatschappelijk
belang is.






Wij vertrouwen er op hiermee
voldoende informatie te hebben verstrekt over onze opvattingen, vragen, zorgen
en bezwaren. We doen een dringend beroep op u hiermee bij de behandeling van
het wetsvoorstel rekening te houden.



 



 



 


 


 

gerelateerde items